|
Even terug in de tijd september 1959 In het Friese plaatje Veenwouden woont een veehouder, die een
Trilogie in telegramstijl
Vergis u vooral niet: het dagboek moet niet alleen worden gezien als
een Wat
dit betreft is de heer Oostra als bet ware erfelijk belast. Want
|
|
|
De gevolgen zijn thans
duidelijk waarneembaar in het propere, betegelde woonvertrek, waar behalve de
Oostra’s enige aanminnige poesengeneraties, twee parkieten en een zich in
uitstekende was kom verheugende goudvis huizen. In een kast, schuin onder het
radiotoestel, prijkt een serie zwartleren bandjes, aangevuld met dictaatcahiers
en lijvige klappers, waarvan de dagtekening loopt van 13 mei 1895 tot heden. Wie
de moeite neemt ze stuk voor stuk door te bladeren ziet langzaam maar zeker drie
geslachten voor zich oprijzen. De drie Friese veehouders, die in telegram stijl
hun levensdagen hebben vereeuwigd, niet omdat ze het nageslacht daarmee een
dienst wilden bewijzen, maar gewoon omdat ze het leuk vonden. Ze vertellen
nauwkeurig wanneer de koe heeft gekalfd, hoe Ze
bieden geen indrukwekkend feitenmateriaal, geen overdonderend proza, deze
familieannalen. Maar ze geven wel een aardige kijk op een drietal
tijdsgewrichten en een drietal karakters. Men herkent de pionierende, zich
opwerkende grootvader, die met een stompje potlood zijn boekjes volkrabbelde. De
hard ploeterende, vroeg gestorven vader, die even accuraat met de kroontjespen
was als met het aflossen van schulden. En de zoon de nu zesenvijftigjarige heer
D. A. Oostra een
wijd om zich heen ziende figuur met vooruitstrevende ideeën, gevoel voor humor
en een uitvoerig registrerende ballpoint. Drie
boeren dagboeken. Drie boerenlevens. Op
die dertiende mei 1895 is de wonderlijke familietraditie ontstaan. Dat was op
een moment, dat de grootvader van de heer Oostra, zekere P. H. de Vries, een
nieuw leven wilde beginnen. Als negenenveertigjarig persoon maakte hij zich
los uit het bedrijf van zijn broeders en trok van Huizum via de Zwette naar - Weidum om daar aan een eigen veestapel te gaan
bouwen. Het transport van gedemonteerde stallen, levende have en huisraad
geschiedde op tamelijk opzien barendewijze. Namelijk per stoomboot, zodat opa
als eerste mededeling in zijn dagboek kon noteren: Oosten van verhuizing, stoomboot
f 30.—, met daar achter Van de Ruiter ontvangen 4000
baggerlaarturf. Die werd gebruikt als onderlaag om hooi op te
storten. In
zo'n nieuwe omgeving startte opa tamelijk goed, want hij kocht aanstonds 28
lammeren voor
f 190.— Deze prille diertjes dijden uit tot volwaardige
schapen, die trouw werden geschoren, getuige de mededeling: Afgeleverd
wol per kilo
f 0.875. Bovendien stonden er op stal reeds enkele
koebeesten, wier volle melk een gedegen bewerking in de karnton onderging.
Resultaat: 1/4 vai boter
f 33.—. Dank zij stug aanpoten liep het allemaal nogal voorspoedig maar helaas
gebeurden er af en toe, ook minder plezierige dingen. Op 27 Juni 1895
rapporteerde opa zwartgallig: Zulke incidenten zijn natuurlijk altijd vervelend, maar gelukkig kwamen bij wijze van afleiding Rouwkje en Weepkje op bezoek. Vervolgens kreeg opa het heel druk met de hooiing, een bezigheid, waarbij behalve hijzelf twee dienstknechten waren betrokken. In die dagen kregen ze nog geen loon volgens C.A.O., wat onder meer moge blijken uit deze citaten: Aan Yde betaald 383 uren, f 38.30 en aan Jan Monsma betaald f 31.495, 4 weken en 3 dagen. Daar kon men het zelfs anno 1895 niet breed van laten hangen, maar zo nu en dan ving men als bijverdienste wel eens een mol. 16 mollen á 15 ct., aldus een resolute potloodkrabbel van opa. Dan
maar eigen
molen (jaar
1959) Opa
de Vries was een echte Fries met een hoofd als een bikkel. Deurwaardersbriefje om maalgeld geweigerd meldde hij glashard op 17
mei 1901. Eigenlijk had hij daar gelijk. in, want de boer, wiens molen zijn land
moest bemalen, liet het ding ter voorkoming van slijtage meer stilstaan dan
draaien. Weldra hield opa er demonstratief een eigen molen op na, waarmee hij
wel eens even zou laten zien, dat hij het zélf kon. Zijn eerste maalexperimenten verliepen echter niet
bijster gelukkig, hetgeen men kan opmaken uit zijn klaagzang: Een
roede (twee in elkanders verlengde liggende wieken) uit
de molen
gewaaid. Toch
kreeg opa in zijn leven met schokkender dingen te maken. Daarvan getuigt een
notitie, te boek gesteld op de vijfentwintigste juli 1901. Het staat er
bijzonder sinister: Reenema op zijn
vader
geschoten... Een huiselijk drama, dat het
door in grote opschudding bracht en de rechtschapen dagboekauteur met diepe
afschuw vervulde. Dit nam echter niet weg, dat hij voor het moordwapen een
levendige belangstelling koesterde. Tijdens een openbare verkoping van de
inboedel Reenema deed hij er hoogste bod op om het geruchtmakende schiettuig
vervolgens vreedzaam haven zijn schoorsteenmantel te hangen. En
opa molk, schoor, hooide, zweelde en splitte weer. Karnen was er al lang niet
meer bij. want hij had met Roel Oostra gesproken om aan het fabriek te gaan, waar ze het veel beter, vlugger en
zuiverder konden. Maar de slacht hield hij in eigen hand: De varkens 304 en 348 (pond ?),
waaronder’ 28 en 29 (pond?) smeer. Het
was De
volgende dag ging het lijk van Siebren
Koldijk ter schouwing naar Leeuwaden;
opa na E. Oostra, waar
koe
werd taxeer.
Met een stomp potloodje schetste hij in één volzin de dood en het leven.
De dood, die hij vreesde en het leven, dat hij liefhad, omdat het hem in tien
jaar was gelukt een goed lonend bestaan op te bouwen. Hij had vee, land, geld,
een volgzame vrouw, knappe dochters en een schoonzoon, aan wie hij straks zijn
bedrijf over kon dragen. Dat was A. D. Oostra, een vlijtige, oppassende
jongeman, die hem al geruime tijd als knecht had gediend. Wel
en wee van vee
Het jaar tevoren was het dertienjarige zoontje Oostra op nogal prozaïsche wijze
ook met zo iets als een dagboek gestart: De
gierpomp gezet en
begonnen te gieren in de grote finne (een land, waarin koeien werden geweid). Dit ventje, dat bij het wisselen
van tanden en kiezen al in het bedrijf had geholpen, rapporteerde op 31 maart
1916: Van school af.
En om te bewijzen, dat hij flu voor vol kon doorgaan. voegde bij eraan toe: De dammetjes in de steek verlengd, want dat was volwaardige arbeid. Politiek
en
rampspoed Des
te onverwachter kwam drie dagen Later deze slag aan: Het ene landvarken dood. Met tussen haakjes daarachter: pestziekte.
Aan die kwaal viel in die dagen nog weinig te doen. Maar men was wel hard op
weg om de runder-t.b.c. uit te bannen. Dit wordt in een van de volgende
dagboekblad zijden gestaafd door het woordje Oogdruppels,
de aanduiding voor een preventief werkend geneesmiddel, dat men tegenwoordig
per onderhuidse inspuiting toedient. Betrekkelijk kort na het verlies van zijn vader moet D. A. Oostra op eigen benen hebben gestaan. Op de tiende december 1923 maakte hij althans al gewag van eigen personeelszaken: Mijnheer van Kamhorn gekomen voor f 8.— per week. Nu rijst misschien de vraag wat men op een boerderij met mijnheren moest doen en waar men voor acht gulden in de week zo’n mijnheer, bereid tot stalwerk, kon vinden. Het antwoord is simpel: in Weidum. Want daar heetten de boerenknechten Mijnheer bij hun voornaam, zoals elders Jan, Piet of Klaas. Florerende
zaken In
1924 lag er weer eens ijs op de sloten en de geneugten werden in de familieannalen
beslist niet verheeld: Roelof
3e prijs hardrijden
f 1.50,
Melurus, Jentje Odinga en ik aan de stok
naar de Diele. Maar er werden tussen
de bedrijven door ook zaken gedaan: Stier
Klaver XXX voor
f 636.—
verkocht. Woog goed 900 kg. Jammer
van Jeltje, maar voor de rest ging het goed. Toen Johannes
Venema en Akke van Seyen, onderwijzeres te Weidum op 15 oktober 1930 gingen
trouwen, reed Roelof
het bruidspaar met onze Ford naar het
gemeentehuis.
Ziezo: er was dus een wagen. Maar het jaar
daarop begon de crisis zijn invloed te doen gelden: ‘s Morgens een oude, vette zeug afgeleverd. De prijs, welke vorige week nog 22 cent per pond was, daalde
tot 20 cent. Met de internationale toestand zat het trouwens ook al niet
best: De courant maakt melding van een
kwestie tussen Japan en China. Sikkeneurig volgde erop: Maar gelukkig kreeg de heer Oostra bij wijze van opkikker een snoepreisje. In zijn hoedanigheid van lid ener agrarische werktuigcommissie mocht hij per vliegtuig naar een tentoonstelling in Duitsland. Daarover het volgende, onverkorte verslag: Met de trein van 7.03 uur van Leeuwarden naar Amsterdam. Met Duitsche Lufthansa, vliegmachine D 1327 naar Mannheim. Mooi weer, maar niet te helder om te eien. Schitterende reis gehad. Een geweldig gezicht, ben we vlak boven de Dom van Keulen langs gevlogen. Ons goed bevallen. Onze medepassagiers hadden het niets te ruim. En
over de tentoonstelling zelf: De
Duitschers weten we! wat reclame maken is. De koe Theresia werd als
wereldkampioen voorgesteld. Ze gal in 12 maanden 16.461 kg melk.
31/2 %
vet,
56 kg boter. Hetgeen
voor een Duitse koe natuurlijk helemaal niet onverdienstelijk was, maar in
Friesland deden ze het beter. Met
de crisis jaren stapelden de sombere notities zich op: Van Wassenaar begraven, Maagbboeding, Storing melkmachine. Maar er viel
ook iets in luchtiger trant te vertellen, namelijk Student in de rechten. wandelt om weddenschap in adams
costuum door Fries dorp. Men kan er het hoofd bij schudden, de
wenkbrauwen optrekken, maar een feit is, dat de bewuste jongeman vier jaar later
tot burgemeester van dezelfde plaats werd benoemd. De heer Oostra verzuimde dat
in zijn dagboek te zetten, want hij stond net op het punt te verhuizen. In
Veenwouden pachtte hij een boerderij en een lap grond, waar hij koud drie jaar
zat, toen de oorlog begon. Aantekening
op sinterklaasavond, 5 december 1940: Vosruin,
8 jaar, gevorderd door de Duitse weermacht. Op dezelfde avond achttien jaar
later schrijft de heer Oostra met een glunderend gezicht in het Fries: Itje
sjongt ,,Sinteklaes ryd op syn hynder” by de klomp mei under de
skoasrsteen. Itje
is
Foto Bob van
Dijk/spiegel 1959
Augustus
1953 Gemeente koopt Skierstins te Veenwouden aan Er
bestaan ook plannen tot restauratie Van
adellijke stints tot uithof van Klaarkamp Algemeen wordt Skierstins een overblijfsel van de uithof genoemd, welke ‘t klooster Klaarkamp (Rinsumageest) hier bezat, Dit
het
geslacht ltta
Schira Monika
Johanniswoude,
de oude naam van
Friezen
werd het vertrek boven de kelder (crypt) toen nog de was.
Het bevatte in drie jaren tal van antiquiteiten en kunstschatten. Naast de eigenlijke stins verheft zich een 18de-eeuws woonhuis, thans postkantoor, ter plaatse van een vroegere aanbouw blijkbaar
Hoewel
dit huis op zichzelf niet onaantrekkelijk is, zou het karakter van de stins
eerst volmaakt tot zijn recht komen, als de grimmige woontoren weer vrij temidden der grachten kon verrijzen.
Bron: Leeuwarder courant aug. 1959
Durk Bijlsma Wilsterflapper Feanwâlden
|
|