Home
Algemeene informatie
Foto's Veenwouden
Sport verenigingen
Bedrijven Veenwouden

Even terug in de tijd september 1959                                                                

In het Friese plaatje Veenwouden woont een veehouder, die een 
dagboek bijhoudt. Zijn vader deed 't ook, evenals zin grootvader.
Drie generaties werkten aan een merkwaardige boerenroman, een soort

 

Trilogie in telegramstijl

 

Vergis u vooral niet: het dagboek moet niet alleen worden gezien als een
symptoom, dat zich openbaart bij verliefde jongelingen en naar romantiek
hunkerende meisjes. Er zijn ook mannen met de grote broek aan, die zich
het bijhouden van een dergelijk geschrift tot levenstaak hebben gesteld.
Neem de heer D. A. Oostra, veehouder te Veenwouden (Friesland), 
bijvoorbeeld. Hij is een nuchtere, bijna kaalhoofdige man, bezit een
modern boerenbedrijf met vijftig welvarende koeien, die hem opeisen 
van ‘s ochtends vroeg
tot s avonds laat. 
En nóg kan hij het gedagboek niet laten.
                                                   

Wat dit betreft is de heer Oostra als bet ware erfelijk belast. Want 
zijn vader had destijds met dezelfde dag­boekwoede te kampen en 
zijn grootvader was er ook al niet vrij van.

 

          
Foto Bob van Dijk/spiegel

Elke avond noteert de heer Oostra de gebeurtenissen van de dag,terwijl zijn vrouw verstel werk doet.(jaar 1959)

 

 

De gevolgen zijn thans duidelijk waarneembaar in het propere, betegelde woonvertrek, waar behalve de Oostra’s enige aanminnige poesengeneraties, twee parkieten en een zich in uitstekende was kom verheugende goudvis huizen. In een kast, schuin onder het radiotoestel, prijkt een serie zwartleren bandjes, aangevuld met dictaatcahiers en lijvige klappers, waarvan de dagtekening loopt van 13 mei 1895 tot heden.

Wie de moeite neemt ze stuk voor stuk door te bladeren ziet langzaam maar zeker drie geslachten voor zich oprijzen. De drie Friese veehouders, die in telegram stijl hun levensdagen hebben vereeuwigd, niet omdat ze het nageslacht daarmee een dienst wilden bewijzen, maar gewoon omdat ze het leuk vonden. Ze vertellen nauwkeurig wanneer de koe heeft gekalfd, hoe Evert en Martentje bruiloft vierden, welke boerderijen er zoal zijn afgebrand, wat een paar klompen kostten, wie tot dorpspredikant werd benoemd en waaraan de vroegtijdige dood van de vette zeug moest worden geweten.

Ze bieden geen indrukwekkend feitenmateriaal, geen overdonderend proza, deze familieannalen. Maar ze geven wel een aardige kijk op een drietal tijdsgewrichten en een drietal karakters. Men herkent de pionierende, zich opwerkende grootvader, die met een stompje potlood zijn boekjes volkrabbelde. De hard ploeterende, vroeg gestorven vader, die even accuraat met de kroontjespen was als met het aflossen van schulden. En de zoon de nu zesenvijftigjarige heer D. A. Oostra een wijd om zich heen ziende figuur met vooruitstrevende ideeën, gevoel voor humor en een uitvoerig registrerende ballpoint. Drie boeren dagboeken. Drie boerenlevens.

Op die dertiende mei 1895 is de wonderlijke familietraditie ontstaan. Dat was op een moment, dat de grootvader van de heer Oostra, zekere P. H. de Vries, een nieuw leven wilde beginnen. Als negenenveertigjarig persoon maakte hij zich los uit het bedrijf van zijn broeders en trok van Huizum via de Zwette naar - Weidum om daar aan een eigen veestapel te gaan bouwen. Het transport van gedemonteerde stallen, levende have en huisraad geschiedde op tamelijk opzien barendewijze. Namelijk per stoomboot, zodat opa als eerste mededeling in zijn dagboek kon noteren: Oosten van verhuizing, stoomboot f 30.—, met daar achter Van de Ruiter ontvangen 4000 baggerlaarturf. Die werd gebruikt als onderlaag om hooi op te storten.

In zo'n nieuwe omgeving startte opa tamelijk goed, want hij kocht aanstonds 28 lammeren voor f 190.— Deze prille diertjes dijden uit tot volwaardige schapen, die trouw werden geschoren, getuige de mededeling:  

Afgeleverd wol per kilo f 0.875. Bovendien stonden er op stal reeds enkele koebeesten, wier volle melk een gedegen bewerking in de karnton onderging. Resultaat: 1/4 vai boter f 33.—. Dank zij stug aanpoten liep het allemaal nogal voorspoedig maar helaas gebeurden er af en toe, ook minder plezierige dingen. Op 27 Juni 1895 rapporteerde opa zwartgallig: Het oude paard in de sloot.

Zulke incidenten zijn natuurlijk altijd vervelend, maar gelukkig kwamen bij wijze van afleiding Rouwkje en Weepkje op bezoek. Vervolgens kreeg opa het heel druk met de hooiing, een bezigheid, waarbij behalve hijzelf twee dienstknechten waren betrokken. In die dagen kregen ze nog geen loon volgens C.A.O., wat onder meer moge blijken uit deze citaten: Aan Yde betaald 383 uren, f 38.30 en aan Jan Monsma betaald f 31.495, 4 weken en 3 dagen. Daar kon men het zelfs anno 1895 niet breed van laten hangen, maar zo nu en dan ving men als bijverdienste wel eens een mol. 16 mollen á 15 ct., aldus een resolute potloodkrabbel van opa.

Dan maar eigen molen (jaar 1959)

Opa de Vries was een echte Fries met een hoofd als een bikkel. Deurwaardersbriefje om maalgeld geweigerd meldde hij glashard op 17 mei 1901. Eigenlijk had hij daar gelijk. in, want de boer, wiens molen zijn land moest bemalen, liet het ding ter voorkoming van slijtage meer stilstaan dan draaien. Weldra hield opa er demonstratief een eigen molen op na, waarmee hij wel eens even zou laten zien, dat hij het zélf kon. Zijn eerste maalexperimenten verliepen echter niet bijster gelukkig, hetgeen men kan opmaken uit zijn klaagzang: Een roede (twee in elkanders verlengde liggende wieken) uit de molen gewaaid.
Maar het leven ging verder:
‘s Morgens om 8 1/2  begonnen met zweelen. Weder in het hooi gesplit, Kleine Sjouk twee stierkalfjes gebracht, De gierkolk geledigd. En in één adem door, alsof het er iets mee had te maken: Benoeming predikant Dobbers en 20 fieuschen geschoret~, per kilo I 0.575. Voor een veeboer te Weidum waren deze gebeurtenissen allemaal even belangrijk. Want zonder zweelen ontstaat er geen hooiberg, zonder splitten maak je kans op een stevige broei en de geboorte van een stieren tweeling is tamelijk zeldzaam. Even zeldzaam bijvoorbeeld als de benoeming van een nieuwe voorganger in een gemeente als Weidum.  

Toch kreeg opa in zijn leven met schokkender dingen te maken. Daarvan getuigt een notitie, te boek gesteld op de vijfentwintigste juli 1901. Het staat er bijzonder sinister: Reenema op zijn vader geschoten... Een huiselijk drama, dat het door in grote opschudding bracht en de rechtschapen dagboekauteur met diepe afschuw vervulde. Dit nam echter niet weg, dat hij voor het moordwapen een levendige belangstelling koesterde. Tijdens een openbare verkoping van de inboedel Reenema deed hij er hoogste bod op om het geruchtmakende schiettuig vervolgens vreedzaam haven zijn schoorsteenmantel te hangen.

En opa molk, schoor, hooide, zweelde en splitte weer. Karnen was er al lang niet meer bij. want hij had met Roel Oostra gesproken om aan het fabriek te gaan, waar ze het veel beter, vlugger en zuiverder konden. Maar de slacht hield hij in eigen hand: De varkens 304 en 348 (pond ?), waaronder’ 28 en 29 (pond?) smeer. Het was 1904 en de dagen gingen voorbij, zonder dat zich noemenswaardige voor val leit voordeden. Daarom bepaalde opa zich tot meteorologische bespiegelingen: Iets hagelig, Zon heeft geschenen, Koud en droog op 22 Augustus. En dan ineens weer zo’n schrikbarende tijding: Groote Siebren Koldijk in de stoomketel verbrand.

De volgende dag ging het lijk van Siebren Koldijk ter schouwing naar Leeuwaden; opa na E. Oostra, waar koe werd taxeer. Met een stomp potloodje schetste hij in één volzin de dood en het leven. De dood, die hij vreesde en het leven, dat hij liefhad, omdat het hem in tien jaar was gelukt een goed lonend bestaan op te bouwen. Hij had vee, land, geld, een volgzame vrouw, knappe dochters en een schoonzoon, aan wie hij straks zijn bedrijf over kon dragen. Dat was A. D. Oostra, een vlijtige, oppassende jongeman, die hem al geruime tijd als knecht had gediend.
Opa zette de veehouderij voort tot 1908, een merkwaardig jaar, waaruit enkele zeldzame notities stammen:
13 Oktober, mistig zacht weer. Bezoek Jacob en Wiebke.
Daar begon het mee, en het ging van dag tot dag verder: Mistig en fins, lets kouder, Kouder, Koud weer, Verbazend koud, Vorst; Veel vorst, Zeer veel vorst; enkele op schaatsen. Héél Friesland stond op de tweeëntwintigste oktober van het jaar 1908 op het ijs. En een maand tevoren was het warempel nog zomer!

Wel en wee van vee
Inmiddels had de jonge Oostra zich over een gloednieuw dagboek gebogen: ,Overgenomen .8 stuks vee op tazaiie. Getaxeerd Februari 1908. Nader specificerend schreef hij in een fraaie schoolmeestershand: Koe Ruurdje, geboren 1904, f 230.—. En daarachter de personalia en prijzen van de andere koebeesten: Tjitske, Wietse, Rienske, Murkje, Doeke, Sjoukje, Aukje, Tjerkje... Kortom de voltallige stal, die hij de zijne kon noemen tegen een schuldbekentenis van achtduizend gulden, terug te betalen in jaarlijkse termijnen met rente.

Er moest secuur afgelost worden zo’n duizend pegulanten per jaar, waarvoor schoonpa als ambteloos burger
dan Russische staatspapieren kon kopen. En de jonge Oostra betaalde. Ondanks een groot aantal stroppen. Ondanks de waardedaling van Sjouke, de enterstier, in 1907 getaxeerd op f 135.—, in YQOQ am het hand gegaan voor f 120.—. En ondanks het feit, dat hij A. Anema, vaste arbeider, f 8.— per week en 13 weken de kost toe, zijn vrouw voor ‘t melken elke keer 25 ct. moest geven.

Oostra was al enige tijd vader en moest ongeloollijk hard werken voor zijn gezin. Daarvan getuigen de hiaten in zijn annalen, die echter ieder jaar steevast besloten met de triomfantelijke mededeling: Voldaan duizend gulden plus rente. In het jaar 1917 was hij door zijn laatste schuld heen. Maar het had zo veel van zijn krachten gevergd, dat hij in hetzelfde jaar kwam te overlijden. In dat jaar brak ook de Russische revolutie uit, met het onvermijdelijke gevolg, dat opa’s mooie staatspapieren allemaal waardeloos werden.  

Het jaar tevoren was het dertienjarige zoontje Oostra op nogal prozaïsche wijze ook met zo iets als een dagboek gestart: De gierpomp gezet en begonnen te gieren in de grote finne (een land, waarin koeien werden geweid). Dit ventje, dat bij het wisselen van tanden en kiezen al in het bedrijf had geholpen, rapporteerde op 31 maart 1916: Van school af. En om te bewijzen, dat hij flu voor vol kon doorgaan. voegde bij eraan toe: De dammetjes in de steek verlengd, want dat was volwaardige arbeid.

Maar zijn aandacht gold niet alleen moddersloten, mesthopen en achterlijven van koeien. Zijn belangstelling was veel ruimer gericht. Een ree gezien, wist hij op één van de voorste bladzijden te vertellen. En: ‘s Morgens voor ‘t eerst de maan onder melken.
Waarmee bij bedoelde, dat de zilveren maneglans bij hem een weldadige bekoring opriep. Op de zevenentwintigste juli 1916 werd zijn interesse gewekt door een geheel ander verschijnsel: Een vliegmachine gezien in de richting Dronrijp, die de westelijke koers had. Vermoedelijk een Duitse zeppelin..  

Politiek en rampspoed

De heer D. A. Oostra had als jeugdig kereltje dus al een grote opmerkingsgave. Als waardig zoon van zijn vader noteerde hij trouw Het oude varken gebigt en De paarden van de petroleum­wagen geleend en voor de hooiwagen gespannen. Maar het ontging hem daarbij met, dat elders in het land een politieke crisis op til was: 11 mei 1917 minister van oorlog, de heer Bosboom, afgetreden. En zijn eeltige jongenshand registreerde bewogen de feiten van de Grote veenbrand in Drente: 100 huizen afgebrand, 500 mensen zonder dak. Schade, inbegrepen meubels, f 500.000.—.

Met dezelfde bewogenheid maakte hij melding van het feit, dat Roelof E. Oostra een ongeluk had gekregen met het paard ophalen en dat de boerderij van Koopmans in vlammen was opgegaan. Een kleine jongen van de arbeider spelde met lucifers, aldus het waarschuwende naschrift. Met opvallend gemak schakelde hij daarop over op de aanschaf van een paar nieuwe, zwarte klompen, f 1.50,
nadat hij reeds met enthousiasme had neergeschreven: Bij Blank gekocht êên Pathéfoon. Daarbij verwierf hij platen, 15 stuks, die van voren naar achteren en van achteren naar voren werden afgedraaid in de wegberm, ten aanhoren van de hele gemeente.
Afgaand op de feiten, zoals dagboek schrijver III die weergeeft, moet het in Friesland zo’n twintig jaar na de eeuwwisseling in vergelijking tot vroeger veel minder saai zijn geweest. Het waren niet meer uitsluitend boerderijbranden, waarnaar men zo nu en dan eens kon kijken. Er waren nu ook prettiger dingen, die de sleur van alledag kwamen doorbreken. Op 21 augustus 1921 notuleerde de negentienjarige Oostra verrukt: Koos de Vries en ik ‘s avonds naar de Harmonie Revue 1921 van Henri ter Hall, genaamd ,Rom borm bom en lach er maar es om”.

Des te onverwachter kwam drie dagen Later deze slag aan: Het ene landvarken dood. Met tussen haakjes daarachter: pestziekte. Aan die kwaal viel in die dagen nog weinig te doen. Maar men was wel hard op weg om de runder-t.b.c. uit te bannen. Dit wordt in een van de volgende dagboekblad zijden gestaafd door het woordje Oogdruppels, de aanduiding voor een preventief werkend geneesmiddel, dat men tegenwoordig per onderhuidse inspuiting toedient.  

Betrekkelijk kort na het verlies van zijn vader moet D. A. Oostra op eigen benen hebben gestaan. Op de tiende december 1923 maakte hij althans al gewag van eigen personeels­zaken: Mijnheer van Kamhorn gekomen voor f 8.— per week. Nu rijst misschien de vraag wat men op een boerderij met mijnheren moest doen en waar men voor acht gulden in de week zo’n mijnheer, bereid tot stalwerk, kon vinden. Het antwoord is simpel: in Weidum. Want daar heetten de boerenknechten Mijnheer bij hun voornaam, zoals elders Jan, Piet of Klaas.

Florerende zaken

In 1924 lag er weer eens ijs op de sloten en de geneugten werden in de familieannalen beslist niet verheeld:

Roelof 3e prijs hardrijden f 1.50, Melurus, Jentje Odinga en ik aan de stok naar de Diele. Maar er werden tussen de bedrijven door ook zaken gedaan: Stier Klaver XXX voor f 636.— verkocht. Woog goed 900 kg. En: Jeltje IX door J. A. de Vries verkocht voor Italië, f 410.— Voorts waren Krimpe en Caltje met de vrachtauto naar Zurich (zonder puntjes) vertrokken. Of het ook koeien waren valt uit het zinsverband niet op te maken. Maar in ieder geval kan toch wel worden gezegd, dat de handel zeer levendig was en dat de zaken floreerden.

Er werd al hard over mechanisatie gedacht: Broer Pieter op excursie naar de condensfabriek en naar Kuperus te Engelum om de melkmachine Alva Laval te bezien. Hooidrogerij bezichtigd. Een kneedmachine gekocht. En daar tussendoor, onder Langs en overheen dan weer het gemengde nieuws:
Hindenburg als president gekozen van de Duitse republiek, De melkkoeien in het land, Oom Lammert gaat achteruit, Tacozijl maalt 5-6 miljoen m3 water uit de Friese bodem, Jeltje VI te Jullum geslacht, met als veelbetekenend toevoegsel: hartkwaal!

Jammer van Jeltje, maar voor de rest ging het goed. Toen Johannes Venema en Akke van Seyen, onderwijzeres te Weidum op 15 oktober 1930 gingen trouwen, reed Roelof het bruidspaar met onze Ford naar het gemeentehuis. Ziezo: er was dus een wagen. Maar het jaar daarop begon de crisis zijn invloed te doen gelden: ‘s Morgens een oude, vette zeug afgeleverd. De prijs, welke vorige week nog 22 cent per pond was, daalde tot 20 cent. Met de internationale toestand zat het trouwens ook al niet best: De courant maakt melding van een kwestie tussen Japan en China. Sikkeneurig volgde erop: We zijn wat verkouden.

Maar gelukkig kreeg de heer Oostra bij wijze van opkikker een snoepreisje. In zijn hoedanigheid van lid ener agrarische werktuigcommissie mocht hij per vliegtuig naar een tentoonstelling in Duitsland. Daarover het volgende, onverkorte verslag: Met de trein van 7.03 uur van Leeuwarden naar Amsterdam. Met Duitsche Lufthansa, vliegmachine D 1327 naar Mannheim. Mooi weer, maar niet te helder om te eien. Schitterende reis gehad. Een geweldig gezicht, ben we vlak boven de Dom van Keulen langs gevlogen. Ons goed bevallen. Onze medepassagiers hadden het niets te ruim.

En over de tentoonstelling zelf: De Duitschers weten we! wat reclame maken is. De koe Theresia werd als wereldkampioen voorgesteld. Ze gal in 12 maanden 16.461 kg melk. 31/2 % vet, 56 kg boter. Hetgeen voor een Duitse koe natuurlijk helemaal niet onverdienstelijk was, maar in Friesland deden ze het beter.

Met de crisis jaren stapelden de sombere notities zich op: Van Wassenaar begraven, Maagbboeding, Storing melkmachine. Maar er viel ook iets in luchtiger trant te vertellen, namelijk Student in de rechten. wandelt om weddenschap in adams costuum door Fries dorp. Men kan er het hoofd bij schudden, de wenkbrauwen optrekken, maar een feit is, dat de bewuste jongeman vier jaar later tot burgemeester van dezelfde plaats werd benoemd. De heer Oostra verzuimde dat in zijn dagboek te zetten, want hij stond net op het punt te verhuizen. In Veenwouden pachtte hij een boerderij en een lap grond, waar hij koud drie jaar zat, toen de oorlog begon.

Aantekening op sinterklaasavond, 5 december 1940: Vosruin, 8 jaar, gevorderd door de Duitse weermacht. Op dezelfde avond achttien jaar later schrijft de heer Oostra met een glunderend gezicht in het Fries: Itje sjongt ,,Sinteklaes ryd op syn hynder” by de klomp mei under de skoasrsteen. Itje is moet u weten zijn kleinkind. Het driejarige dochtertje van zijn dochter en schoonzoon Miendert Veffer, een flinke boerenknecht, die misschien later het bedrijf over zal nemen en in ieder geval nu al een dagboek bijhoudt. Evenals één van de zonen Oostra, die het beroep van automonteur heeft gekozen. Er is nog genoeg plaats in de kast onder het radiotoestel.

Foto Bob van Dijk/spiegel 1959
Veehouder D.A. Oostra op de tractor met zijn schoonzoon Meindert Veffer,
die misschien later het bedrijf zal overnemen en nu ook al een dagboek bijhoudt.

 

 

Augustus 1953

Gemeente koopt Skierstins te Veenwouden aan

Er bestaan ook plannen tot restauratie
De gemeenteraad van Dantumadeel heeft in de Vrijdagsvond gehouden zitting op voorstel van B. en w. besloten de Skierstins met onderhorigheden te Veenwouden aan te kopen van het Dr. Henricus Poptagasthuis te Marusum welks eigendom het slot was sedert 1906, toen het gebouw waaraan in de loop der eeuwen de namen zij verbonden geweest van de families Juckema, Mellema, Manger, Feenstra. Sprée, Van Heemstra van Froma en Eibersburen. gerestaureerd werd. Sedert it de toestand, waarin het gebouw verkeerde, er niet beter opgeworden en toen zich dan ook de gelegenheld voordeed om de stins te kopen, meenden B. en W. dit gezien de historische en architectonische waarde niet te moeten nalaten een zienwijze, die de raad gelukkig gedeeld heeft.
Naar wij vernemen heeft de gemeente nog geen bepaalde bedoelingen met de "nijkeap"; wel zullen er plannen worden voorbereid tot een nieuwe restauratie
Het Poptagasthuis was financieel niet meer in staat het gebouw te onderhouden en heeft het voor een koopje (F 3250,-) over gedaan
aan de gemeente, om op deze wijze het voortbestaan en het herstel te verzekeren.
De Skierstins is tot ver over de Friese grenzen in de literatuur bekend als de laatste oud-Friese stins of steenhuis, het versterkte huis der adellijken, dat in zijn oorsprong bestond uit een vierkante woontoren, door een gracht omgeven, een Friese variant van de ook elders voorkomends middeleeuwse familiesterkte in torenvormen. Hoewel ons van dit type tal van afbeeldingen zijn overgeleverd, is de Skierstins het enige, nog min of meer zuiver geconserveerde voorbeeld van een bouwwerk, dat ook in de steden
verbreid was.

         

 

Van adellijke stints tot uithof van Klaarkamp

Algemeen wordt  Skierstins een overblijfsel van de uithof genoemd, welke ‘t klooster Klaarkamp (Rinsumageest) hier bezat,

Dit is echter in zoverre juist, dat de monniken dit versterkte huis later hebben overgenomen. Het behoorde eerst toe aan

het geslacht Idsenga, zoals duidelijk blijkt uit en oud-Fries stuk uit 1439, waarin men leest van ,,Idszengha gude heten nu

ltta Schira Monika huse in Sunte johannis wald”, dat is: Idszenga-goed, thans geheten Schiermonnikhuis te Sint

Johanniswoude, de oude naam van Veenwouden. Blijkens de uit 1877 daterende ,gids voor reizenden” Friesland en de

Friezen werd het vertrek boven de kelder (crypt) toen nog de paterskamer genoemd, waarboven de praterskamer gelegen

was. Het bevatte in drie jaren tal van antiquiteiten en kunstschatten.

Naast de eigenlijke stins verheft zich een 18de-eeuws woonhuis, thans postkantoor, ter plaatse van een vroegere aanbouw

blijkbaar door de monniken tot stand gebracht.

Hoewel dit huis op zichzelf niet onaantrekkelijk is, zou het karakter van de stins eerst volmaakt tot zijn recht komen, als de

grimmige woontoren weer vrij temidden der grachten kon verrijzen.

 

Bron: Leeuwarder courant aug. 1959

 

     jaar 1959

Durk Bijlsma  Wilsterflapper Feanwâlden